NederlandsEnglish
Sociologie en Antropologie 
Gepubliceerd op 2 november 2009

Wat is mooi? Onderzoek naar transnationale opvattingen van schoonheid

Gepubliceerd op 2 november 2009
Giselinde Kuipers: 'Ik wil graag onderzoeken hoe schoonheidsstandaarden worden gevormd, en of er een verschil is in opvattingen tussen landen en binnen landen zelf'

Wat maakt modellen "mooi" in de ogen van andere mensen? Hoe wordt schoonheid waargenomen, gevormd en verspreid? En lopen de opvattingen over schoonheid bij inwoners van verschillende landen uiteen? Die vragen wil dr. Giselinde Kuipers beantwoorden in een nieuw onderzoek, waarvoor ze een ERC Grant van 1,2 miljoen euro heeft ontvangen.

Schoonheid is een begrip dat pas sinds de opkomst van de massamedia een centrale plek heeft ingenomen in de leefwereld van mensen, constateert Kuipers. ‘Pakweg 150 jaar geleden waren er nog niet zoveel manieren om beelden van andere mensen te zien. Pas de afgelopen 50 jaar leven veel landen in een wereld van plaatjes, waardoor het denken over schoonheid ons allemaal is gaan bezighouden. Ik wil graag onderzoeken hoe schoonheidsstandaarden worden gevormd, en of er een verschil is in opvattingen tussen landen en binnen landen zelf.'
Ze koos daarbij voor zes verschillende Europese landen. Drie echte modecentra: Verenigd Koninkrijk (Londen), Italië (Milaan) en Frankrijk (Parijs) en drie perifere landen op modegebied: Nederland, Polen en Turkije.

IKEA-gids

Kuipers, die al eerder met een Veni-subsidie onderzoek deed naar de internationale verspreiding van humor, neemt voor haar onderzoek de transnationale modellenindustrie als uitgangspunt. ‘Opvattingen over schoonheid worden in deze industrie op een geconcentreerde manier zichtbaar. Mensen denken daarbij vaak alleen aan de modellen voor grote kledingmerken, maar de industrie is veel breder - we kijken ook naar plus size models (dikkere modellen), heel jonge of juiste heel oude modellen en modellen voor bijvoorbeeld de IKEA-gids. Daarbij kijken we niet alleen naar de vrouwelijke, maar ook naar de mannelijke modellen.'

Kuipers onderzoekt de opvattingen van de professionals in de transnationale modellenwereld - fotografen, agents, stylisten, directeuren van modellenbureaus. Een promovendus gaat dieper in op de ervaringen van de modellen zelf - wat leren zij over schoonheid, wat zijn hun eigen opvattingen. Een andere promovendus voert zowel in nationale versies van internationale bladen (zoals de Cosmopolitan) als lokale bladen inhoudsanalyses uit met betrekking tot de "plaatjes": de modellen die in deze bladen staan. Een postdoc ten slotte, houdt interviews met "gewone mensen" en doet een survey over hun opvattingen van schoonheid.

Graatmagere modellen

Het onderzoek van Kuipers lijkt prachtig te passen in de discussies rondom de graatmagere, al dan niet gephotoshopte modellen van de grote modemerken, maar Kuipers benadrukt dat haar onderzoek geen effectmeting is voor wat betreft de invloed van de media en de mode-industrie.
‘Ik onderzoek wat mensen vinden van beelden van magere modellen om er achter te komen wie dergelijke modellen meer of minder deelt. Ik ga echter niet uit van een effectmodel dat stelt dat de mode-industrie en de media de grote schuldigen zijn. Ik vraag me namelijk af in hoeverre je dat effect kunt isoleren. Je kunt de mode-industrie ook zien als een prisma. In de maatschappij wordt mager mooi gevonden, de industrie pikt deze signalen op en zendt deze - enigszins aangepast en overdreven - weer uit. De samenleving en de industrie werken op elkaar in; de industrie als zondebok aanwijzen is te gemakkelijk.'

Geen McDonaldisering

Kuipers vindt het veel interessanter om te kijken naar aantoonbare processen, zoals globalisering. ‘Vaak wordt beweerd dat er sprake zou zijn van homogenisering: in elk land zien we dezelfde beelden en modellen. Dat klopt maar ten dele. In de internationale mode-industrie zien we dezelfde modellen, dat klopt. Maar binnen landen zelf lijkt de afstand tussen de internationale en de lokale cultuur alleen maar groter te worden. Daardoor ontstaat misschien juist een kloof tussen mensen die liever alleen nationale tijdschriften lezen, en mensen die zich internationaler oriënteren. Ik verwacht dus geen McDonaldisering, maar eerder fragmentatie.' Een proces dat ook negatief kan uitpakken, meent Kuipers: ‘Door deze kloof kan een toenemende ongelijkheid en afstand ontstaan. De kosmopolieten weten wat er op het gebied van uiterlijk van mensen wordt verwacht bij bijvoorbeeld bedrijven et cetera; de lokaal georiënteerden hebben die kennis niet en kunnen daardoor buiten de boot vallen.'
Het onderzoek start in mei 2010 en heeft een looptijd van vijf jaar.

Auteur: Esther van Bochove, afdeling Communicatie FMG

Bron: FMG Communicatie