NederlandsEnglish
Pedagogiek en Onderwijskunde 
Gepubliceerd op 9 februari 2012

NWO-PROO-subsidie voor beter schrijfonderwijs

Gepubliceerd op 9 februari 2012

Het schrijfonderwijs op basisscholen is onder de maat, constateerde de Inspectie voor het Onderwijs onlangs. UvA-hoogleraar Gert Rijlaarsdam haalde samen met anderen een subsidie binnen van ruim € 800.000 voor een onderzoek naar de verbetering ervan.

Goed kunnen schrijven is voor scholieren steeds belangrijker geworden – voor diverse vakken worden zij in staat geacht een goede, zakelijke tekst te kunnen schrijven. Uit onderzoek van de Inspectie van het Onderwijs in 2010 is echter gebleken dat de didactiek op het gebied van het schrijfonderwijs op basisscholen onder de maat is, net als de kwaliteit van het schrijfwerk van de leerlingen.
De prestaties van de leerlingen zijn zowel tekstueel als grammaticaal weinig ontwikkeld, aldus het rapport. Slechts een klein deel van de onderwijstijd wordt besteed aan schrijven, op ruim tweederde van de scholen voldoet de vakdidactiek niet, een groot deel van de leerkrachten besteedt geen aandacht aan het schrijfproces en geeft geen (gerichte ) feedback en leerlingen worden te weinig gestimuleerd om samen te werken.

Koppeling met leesonderwijs

De uitkomsten van het Inspectie-onderzoek zijn des te opvallender omdat het leesonderwijs op basisscholen wel degelijk van behoorlijk hoog niveau is. Rijlaarsdam en onderzoeker Tanja Janssen willen daarom een nieuw schrijfonderwijsprogramma koppelen aan het veelgebruikte en succesvolle leesonderwijsprogramma Nieuwsbegrip. Vervolgens willen de onderzoekers bekijken of de nieuwe schrijfmethode er inderdaad voor zorgt dat de didactische kwaliteit van het schrijfonderwijs omhoog gaat én of de schrijfproducten van de leerlingen verbeteren. Rijlaarsdam: ‘Bij Nieuwsbegrip draait alles om de actualiteit – aan de hand van actuele gebeurtenissen maakt de uitgever (CED-Groep uit Rotterdam)  iedere week nieuwe teksten. Daardoor sluit het onderwijs perfect aan op de belevingswereld van kinderen, en wordt het onderwijs nooit oubollig of achterhaald.’
Janssen: ´Het leek ons een goed idee om het materiaal voor het schrijfonderwijs hierop te laten aansluiten. De CED-Groep ontwikkelt daarom samen met ons formats voor het nieuwe schrijfonderwijsmateriaal.’

Leerlingen meenemen in het schrijfproces

Overigens vermoeden de onderzoekers dat niet alleen het lesmateriaal, maar ook het geven van het onderwijs zelf een belangrijke succesfactor is. Janssen: ‘Het materiaal kan nog zo goed zijn, maar dat wil niet zeggen dat leerkrachten het ook goed gebruiken. Bij schrijfonderwijs is het essentieel dat de leerkracht modelleert: hij neemt de leerlingen mee in het schrijfproces: “Waar moet ik over schrijven? Wat wil ik vertellen? Hoe pak ik dit aan? Waar begin ik mee? Wat zou een goede uitsmijter zijn?” Nu wordt nog te vaak aan leerlingen gevraagd een tekst te schrijven, zonder dat dat ze leren hoe dat moet. Vandaar dat we het coachen en begeleiden van leerkracht bij het vormgeven van hun schrijfonderwijs ook meenemen in ons onderzoek.’

60 leerkrachten volgen

De effecten worden onderzocht door 60 leerkrachten gedurende 2 jaar lang te volgen. Daarbij vergelijken de onderzoekers drie condities: het nieuwe lesmateriaal gecombineerd met training en coaching aan de leerkracht; het nieuwe lesmateriaal zonder de coaching en tot slot een controleconditie: een onderwijsprogramma met de huidige, standaardschijfopdrachten. Onderzoekers observeren de leerkrachten driemaal per jaar voor het verzamelen van gegevens over de didactische kwaliteit van de lessen. Daarnaast krijgen de leerlingen driemaal per jaar een schrijfopdracht, die wordt beoordeeld door een “jury” op basis van bestaande kwaliteitscriteria. Rijlaarsdam realiseert zich dat het onderzoek nogal wat vergt van scholen en leraren: ‘De klas is begrijpelijkerwijs het domein van de leraar, en daar dringen wij als het ware binnen. Het is daarom van het grootste belang dat we zeer zorgvuldig met de gegevens omgaan, leraren zoveel mogelijk bij het onderzoek betrekken en hen van goede feedback voorzien.’

Het onderzoek, dat onder leiding staat van Rijlaarsdam, neemt in totaal vier jaar in beslag en uitgevoerd door promovenda Saskia Rietdijk, onderzoekers Peter de Jong en Tanja Janssen, onderwijsontwikkelaars van de CED-groep, en een aantal onderzoeksassistenten.

Auteur: Esther van Bochove, FMG Communicatie

Bron: FMG Communicatie