NederlandsEnglish
Pedagogiek en Onderwijskunde 
Gepubliceerd op 16 september 2009

UvA ontwikkelt meetinstrument voor kwaliteit buitenschoolse opvang

Gepubliceerd op 16 september 2009

Het SCO-Kohnstamm Instituut, een onderdeel van de Universiteit van Amsterdam (UvA), heeft in samenwerking met het Nederlands Jeugdinstituut een instrument ontwikkeld dat de kwaliteit van de buitenschoolse opvang (bso) meet. De verwachting is dat begin volgend jaar een start wordt gemaakt met het uitvoeren van een landelijke peiling onder bso's met gebruikmaking van het instrument.

Het SCO-Kohnstamm Instituut ontwikkelde het meetinstrument in opdracht van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) naar aanleiding van een motie van Tweede-Kamerlid Koşer-Kaya en een brief van staatssecretaris Sharon Dijksma. Beide politici uitten hun zorgen over de pedagogische kwaliteit van de buitenschoolse opvang en wezen op het belang van verdere professionalisering van de bso.
‘Vroeger was kinderopvang bedoeld voor kinderen van 0 tot 6 jaar, maar inmiddels is er ook sprake van buitenschoolse opvang voor kinderen van 4 tot 12 jaar', vertelt Marianne Boogaard van het SCO-Kohnstamm Instituut. Boogaard ontwikkelde samen met onderzoeker Ruben Fukkink, en Liesbeth Schreuder (van het Nederlands Jeugdinstituut) het meetinstrument. ‘De bso is enorm in opkomst, en dus moet er veel meer worden georganiseerd. Bso's moeten contacten hebben met scholen, (sport)verenigingen et cetera, om ervoor te zorgen dat de bso daadwerkelijk een overbrugging is tussen school en thuis. Op dit moment gaat dat niet altijd goed. Soms zijn die contacten er nauwelijks, en vooral de kinderen vanaf 8 jaar voelen zich niet uitgedaagd. Zij worden soms opgevangen alsof het kleuters zijn. Met dit meetinstrument kunnen we precies zien waar de knelpunten zitten en wat de verbeterpunten zijn.'

Externe beoordelaars

Het meetinstrument bestaat uit vier onderdelen: een observatielijst met betrekking tot de pedagogische kwaliteit, een beoordelingslijst met betrekking tot de interactievaardigheden van de pedagogisch medewerkers, een kindervragenlijst en een oudervragenlijst. Externe, getrainde beoordelaars gaan aan de slag met de eerste twee lijsten. Daarbij maken ze onder meer gebruik van eigen observaties en beoordelingen van video-opnames die ze maken bij de betreffende bso.
Samen brengen de vier deelinstrumenten de pedagogische kwaliteit van de bso in kaart. Het instrument besteedt zowel aandacht aan de structurele en organisatorische aspecten van de kwaliteit, als aan de kwaliteit van het proces - de contacten tussen pedagogisch medewerkers en kinderen.
Het instrument is puur bedoeld voor de uitvoering van de landelijke peiling en voor wetenschappelijk onderzoek naar de kwaliteit. De aanbeveling van de onderzoekers is dat vervolgens ook een zogeheten veldinstrument zou moeten worden ontwikkeld dat bso's zelf kunnen inzetten voor de bewaking en verbetering van de pedagogische kwaliteit.

Aanbestedingsprocedure

Een aanbestedingsprocedure moet bepalen welke partij de landelijke peiling mag uitvoeren. Boogaard: ‘Het zou heel mooi zijn als ons instituut ook de landelijke peiling mag uitvoeren. Wij hebben immers alle kennis in huis van het instrument, en we zouden daardoor snel en efficiënt aan de slag kunnen.'

Auteur: Esther van Bochove, afdeling Communicatie FMG

Bron: FMG Communicatie