Gepubliceerd op 14 oktober 2009

ZonMw-subsidie voor onderzoek naar slaapproblemen bij pubers

Effect cognitieve gedragstherapie via internet bestudeerd

Gepubliceerd op 14 oktober 2009
Anne Marie Meijer: 'Adolescenten weten vaak niet dat ze zelf heel veel kunnen doen om hun nachtrust te verbeteren'
Psycholoog dr. Anne Marie Meijer, werkzaam bij Pedagogiek en Onderwijskunde, krijgt een subsidie van € 384.175 van ZonMw voor een onderzoek naar het effect van cognitieve gedragstherapie via internet bij pubers met slaapproblemen. Deze therapievorm is succesvol gebleken bij volwassenen, maar het effect ervan bij de gemiddelde puber is nog nooit onderzocht. Projectleden zijn: Prof.dr. Susan Bögels (promotor), dr. Frans Oort en dr. Winni Hofman.

Uit de literatuur blijkt dat maar liefst 15 tot 30 procent van de pubers slaapproblemen heeft zoals bij voorbeeld slecht inslapen, 's nachts wakker worden en daarna de slaap niet meer kunnen vatten, slaapapneu en slaapwandelen. Viereneenhalf procent heeft te kampen met wat in de DSM-IV (Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders) als insomnia wordt beschreven. Dit betekent dat ze gedurende een periode van ten minste één maand moeite hebben met inslapen en/of doorslapen. Zij zijn na een nacht slaap niet uitgerust en hebben hiervan last in hun dagelijks functioneren.

Dat is reden tot bezorgdheid, aangezien slaapproblemen kunnen leiden tot leer- en gedragsproblemen (slechte schoolprestaties, ADHD-achtige klachten, probleemgedrag). Bovendien kunnen slaapproblemen bestaande psychische klachten verergeren. Desondanks zien jongeren hun slaapproblemen vaak als normaal, vermoedt Anne Marie Meijer, specialist op het gebied van slaapproblemen bij jongeren. ‘Bij sommigen werkt te weinig slaap mogelijk zelfs statusverhogend; zij vinden het stoer om om 3 uur 's nachts een mail te versturen. Maar het belangrijkste is, dat adolescenten vaak niet weten dat ze zelf heel veel kunnen doen om hun nachtrust te verbeteren.'

Niet eten en internetten in bed

Cognitieve gedragstherapie is heilzaam gebleken bij volwassenen met slaapproblemen en bij adolescenten met slaapproblemen die drugs en alcohol gebruikten. Bij doorsnee pubers is deze therapievorm echter nog niet onderzocht.
Door middel van cognitieve gedragstherapie, zo luidt de hypothese, kunnen jongeren kennis en vaardigheden aanleren, waardoor hun slaapgedrag verbetert. Zo kunnen ze leren dat hun bed het signaal moet zijn voor slapen, en niet voor andere zaken. Meijer: ‘Eten, sms'en, internetten en spannende televisie kijken doen ze voortaan niet meer in hun bed, maar elders. Op het moment dat ze moe zijn en willen slapen, kruipen ze pas in bed. Liggen ze langer dan 20 minuten wakker, dan moeten ze uit bed stappen om een rustig, maar nuttig karweitje te doen. Anders wordt het bed alsnog synoniem voor de slaap niet kunnen vatten.'
Ook leren ze disfunctionele cognities (‘als ik niet binnen 20 minuten in slaap val, ben ik morgen niets waard') te wijzigen door zich te realiseren dat die aanname in veel gevallen helemaal niet klopt. Ook krijgen ze ontspanningsoefeningen en maken ze kennis met de zogeheten slaaphygiëne: 's avonds geen dutjes doen, geen cafeïnerijke dranken drinken, niet lezen bij een te felle lamp, vaste bedtijden aanhouden, et cetera.

Slaap ook objectief gemeten

Het is de bedoeling dat jeugdgezondheidsartsen en huisartsen adolescenten doorverwijzen naar het internet- en GGZ-behandelcentrum waar het onderzoek plaatsvindt. Daarnaast nodigen de onderzoekers via scholen jongeren met insomnia uit om zich aan te melden.
De deelnemers aan het onderzoek volgen de gedragstherapie, vullen diverse vragenlijsten in op het gebied van slaap en slaaptekort, stress en mogelijke disfunctionele cognities met betrekking tot slaap. Daarnaast rapporteren ze zelf over internaliserende en externaliserende gedragsproblemen. Bovendien krijgen de jongeren een actometer om, een instrument dat bewegingen registreert. Omdat slaap gepaard gaat met bewegingloosheid kan op die manier worden gemeten hoeveel uur de jongeren daadwerkelijk slapen.
Ook het kosteneffect wordt meegenomen, door zowel aan de jongeren als aan de ouders te vragen of, en zo ja hoe vaak, er sprake is van verzuim van school en bij voorbeeld sportlessen ten gevolge van het slechte slapen of gebruik van slaapmedicatie.

Vier groepen van 64 pubers

Meijer onderzoekt tijdens de studie vier groepen van 64 pubers: de eerste krijgt individuele cognitieve gedragstherapie via internet. Deze jongeren worden bijgestaan door een slaaptherapeut die hen begeleidt en van advies voorziet. De tweede groep krijgt cognitieve gedragstherapie van een slaaptherapeut binnen een groep van zes tot acht adolescenten en de laatste twee groepen fungeren als wachtlijstcontrolegroepen: zij krijgen pas na verloop van tijd cognitieve gedragstherapie aangeboden. Om het effect van registratie op slaap te bekijken zal één controlegroep ook een uitgebreid slaaplogboek bijhouden, zoals in de therapiegroepen gebeurt. Er zijn twee redenen om het effect van cognitieve gedragstherapie via internet te onderzoeken: laagdrempeligheid (pubers kiezen eerder voor een redelijk anonieme therapieomgeving) en kosteneffectiviteit (de kosten van internettherapie zijn aanmerkelijk lager).

Na afloop van het onderzoek is het de bedoeling dat de cognitieve gedragstherapie (aangenomen dat deze succesvol is gebleken), zowel de groeps- als de internettherapie, wordt opgenomen in de Databank Effectieve Jeugdinterventies. Daarnaast zal een website met de internettherapie voor behandeling van insomnia bij adolescenten ter beschikking komen. Het onderzoek heeft een looptijd van vier jaar.

Auteur: Esther van Bochove, afdeling Communicatie FMG

Bron: FMG Communicatie