Obsessie met ‘mannelijkheid’ leidt tot potenrammen
Anti-homogeweld is nauwelijks religieus geïnspireerd

Potenrammers zijn vrijwel allemaal geobsedeerd door mannelijkheid en mannelijk gedrag. En hoewel Marokkanen sterk oververtegenwoordigd zijn in de groep die zich schuldig maakt aan anti-homogeweld, speelt religie nauwelijks een rol. Dat blijkt uit een ‘daderonderzoek' van de Universiteit van Amsterdam dat werd uitgevoerd in opdracht van de gemeente Amsterdam. Onderzoeker Laurens Buijs: ‘Homoseksualiteit mag vooral niet te zichtbaar zijn.'
Voor het onderzoek zijn daders geïnterviewd, dossiers van politie, reclassering en rechtbank bestudeerd, gesprekken gehouden met jongeren die tot risicogroepen behoren en vragenlijsten afgenomen onder Amsterdamse scholieren.
De tolerantie van homoseksualiteit blijkt onder relatief grote groepen mannen een dun laagje beschaving te zijn. Doordat schijnbare acceptatie hand in hand gaat met intolerantie blijft discriminatie in stand, wat ten koste gaat van een veilig klimaat voor homoseksuelen, concluderen onderzoekers Laurens Buijs, Gert Hekma en Jan Willem Duyvendak. Buijs: ‘We leven in een heteronormatieve wereld, waarin homoseksualiteit een afwijking vormt. Die afwijking tolereren mensen, maar dan alleen op bepaalde voorwaarden. Homoseksualiteit mag vooral niet te zichtbaar zijn.'
Hoofdoorzaak
De hoofdoorzaak van de afkeer die de daders van antihomoseksueel geweld voelen voor homoseksualiteit ligt in hun opvattingen en emoties over mannelijkheid en seksualiteit. Vier aspecten hiervan roepen met name ergernis, afkeuring en walging op: anale seks, vrouwelijk gedrag, de zichtbaarheid van homoseksualiteit en de angst om door een homo versierd te worden.
‘Daders en jongens uit risicogroepen hebben allemaal hebben een sterke mening over hoe mannen en vrouwen zich moeten gedragen', zegt Buijs daarover. ‘Een man is mannelijk, stoer, macho; een vrouw is lief, vrouwelijk, passief. Ze kunnen niet overweg met de genderoverschrijdende aspecten van homoseksualiteit.'
Geen hekel aan homo’s
Opvallend hierbij is dat de jongens homoseksualiteit niet op alle fronten afwijzen. In veel gevallen hebben ze helemaal geen hekel aan homo's en ze realiseren zich dat homoseksualiteit bij de samenleving hoort. Wel stellen ze strenge voorwaarden; homoseksuelen mogen de vier genoemde aspecten niet in hun gedrag tonen.
Geweld ontstaat voornamelijk wanneer deze jongens denken seksueel object van homomannen te zijn. De conclusie is dat dit in bijna 40% van de onderzochte gevallen een aantoonbare ‘trigger' van het geweld is. Deze jongens kunnen het idee niet verdragen dat ze in een rol worden gedrongen die zij als vrouwelijk en vernederend zien. ‘Daarbij is een duidelijk verschil te zien tussen Nederlanders en Marokkanen: Nederlanders vinden het vernederend om te worden gezien als lustobject maar zien homoseksualiteit als iets aangeborens. Marokkanen vinden het niet alleen vernederend, maar ook zorgwekkend om te worden verleid omdat ze denken dat je daardoor zelf homo kunt worden.'
Marokkanen oververtegenwoordigd
Verdachten van fysiek geweld tegen homo's zijn meestal jongens tussen de 17 en 25 jaar oud. Ze zijn even vaak van autochtoon-Nederlandse als van Marokkaanse afkomst (beide 36%). Aangezien van alle Amsterdamse jongeren tot en met 24 jaar 39% tot de eerste en 16% tot de tweede groep behoort, zijn Marokkanen oververtegenwoordigd als verdachten van de genoemde vorm van geweld. Het grootste deel (55%) van de fysieke geweldsdelicten vindt plaats buiten de bekende plekken voor homoseksuelen (het uitgaansleven en homo-ontmoetingsplaatsen).
Niet religieus geïnspireerd
Het geweld van daders is niet religieus geïnspireerd; godsdienstige opvattingen spelen hooguit op de achtergrond een indirecte rol. Buijs: ‘De islam wijst homoseksualiteit weliswaar expliciet af, maar de daders en de mensen uit de focusgroepen noemen het geloof niet uit zichzelf als reden voor hun gedrag of denkbeelden. Pas als wij de Koran ter sprake brachten, gebruikten ze hun religie om hun gedrag te legitimeren. Maar veel belangrijker is de groepsdruk in combinatie met de obsessie met mannelijkheid.'
Stoere status
De onderzoekers vonden een aantal factoren die verklaren waarom sommigen wel overgaan tot antihomoseksueel geweld en anderen niet. Daders plegen geweldsdelicten vaak in groepen en kunnen slecht weerstand bieden aan groepsdruk. Het afzetten tegen homoseksualiteit heeft in veel groepen een identiteitsfunctie: jongeren verwerven zo een stoere, mannelijke status. Zo voorkomen ze te worden gezien als ‘homo', wat voor hen gelijk staat aan zwak en vrouwelijk. Daarnaast spelen sociaal-economische factoren een belangrijke rol. Daders zijn opvallend vaak laagopgeleid, werkloos en afkomstig uit probleemgezinnen. Het plegen van antihomoseksueel geweld kan een effectieve manier zijn om respect en een mannelijke status te verkrijgen voor wie dat op legale wijze niet lukt. Buijs concludeert: ‘We hebben te maken met een diepliggend, structureel en ernstig probleem dat niet zomaar op te lossen is. Er is een echte cultuuromslag nodig.'

