Gepubliceerd op 22 oktober 2009
Gepubliceerd op 22 oktober 2009
Jan Breman ging in 2001 met emeritaat, maar zette zijn wetenschappelijke werk onverdroten voort
Emeritus hoogleraar Sociologie Jan Breman (73) heeft op 29 oktober een eredoctoraat in ontvangst genomen van het International Institute of Social Studies (ISS) van de Erasmus Universiteit Rotterdam. Voormalig minister van Ontwikkelingssamenwerking en hoogleraar aan de ISS Jan Pronk spreekt de laudatie uit.
Jan Breman (73) ging in 2001 met emeritaat, maar dat heeft hem er niet van weerhouden om zijn werk als onderzoeker onverdroten voort te zetten. Deels op eigen kosten, deels met steun van de Amsterdam School for Social Science Research (ASSR), die hem tot op de dag van vandaag een werkkamer in het Spinhuis biedt. ‘Het is heel verstandig dat oude wetenschappers terugtreden om ruim baan te maken voor jonge onderzoekers, maar tegelijkertijd vind ik het leeftijdsdiscriminatie dat emeritus hoogleraren niet meer in aanraking komen voor onderzoekssubsidies van o.a. NWO/WOTRO. Wetenschappelijk gezien lever ik nog steeds een zinvolle bijdrage. Ik ben de ASSR dan ook zeer erkentelijk dat zij mij de faciliteiten biedt om mijn netwerk te onderhouden en mijn werk voort te zetten.'
Breman ziet het eredoctoraat als een mooie blijk van waardering van vakgenoten voor zijn wetenschappelijke werk, waarmee hij in 1962 begon. In dat jaar startte hij met zijn onderzoek naar de arbeidsomstandigheden op het platteland van India. Driemaal bezocht hij om de 25 jaar hetzelfde dorp om te onderzoeken wat er gedurende de tijd met de landarbeiders gebeurde. Een van zijn belangrijkste conclusies: de armoede blijft in stand. ‘De armen worden niet armer - dat kan ook niet; sommigen stierven zelfs van de honger - maar alleen de niet-armen raken in steeds beter doen.' Bremans focus heeft vanaf dat moment altijd gelegen bij de onderbedeelde massa van de wereld, en dan vooral in Azië. Hij schreef boeken met titels als India's Unfree Workforce (2009), en The Poverty Regime in Village India (2007).
Breman concludeert dat de industrieel-urbane omvorming in ontwikkelingslanden anders verloopt dan bij ons het geval was. ‘Het klopt dat mensen de landbouw verlaten en naar de steden trekken, maar daar komen ze in andere, eveneens laagbetaalde takken terecht. Zodra het werk in de stad wegvalt, gaan mensen weer terug naar het platteland. Er is dus vaak geen sprake van urbanisatie, maar van zwerfarbeid. In landen als India worden enorm hoge winsten gemaakt, maar de armsten profiteren daar niet van. Ik ben nog steeds verbijsterd door de onwil van de elite - in de westerse wereld en in de landen zelf - om de koek op een andere manier te verdelen. Daarvoor zijn ingrijpende hervormingen nodig - en die lijken voorlopig nog niet in zicht te zijn. Neem Pakistan, daar zijn de burgers gevangenen van de politieke elite en het leger. Het regime eist alles van hen, maar ze ontvangen daar niets voor terug. We moeten dan ook niet verbaasd zijn over de opkomende talibanisering.' Overigens is die tendens niet alleen maar negatief, vindt de emeritus hoogleraar. Het is te gemakkelijk om verandering van godsdienstige identiteit als terrorisme voor te stellen. ‘Terrorisme is natuurlijk verschrikkelijk en ontoelaatbaar, maar dat mensen in verzet komen, dat ze weigeren om nog langer slachtoffer te zijn, dat is begrijpelijk vanuit de positie waarin ze verkeren.'
Auteur: Esther van Bochove, afdeling Communicatie FMG
Bron: FMG Communicatie
|