Hoe leren kinderen lezen – en waar gaat het fout?
Eva Marinus krijgt Rubicon-subsidie voor dyslexieonderzoek in Australië
Welke processen liggen ten grondslag aan (goed) leren lezen? En hoe ontstaan de verschillen tussen goede en zwakke lezers? Die vragen wil Eva Marinus (Pedagogiek en Onderwijskunde) graag beantwoorden met haar onderzoek How do children learn to read? Understanding the dynamics between building up orthographic representations and lexical restructuring. Zij ontving daarvoor een Rubicon-subsidie van € 56.000. Op 1 februari 2010 vertrekt ze naar Australië om haar onderzoek uit te voeren bij het Macquarie Centre for Cognitive Science in Sydney.
Het Macquarie Centre for Cognitive Science is the place to be als het gaat om onderzoek naar lezen en dyslexie. Directeur Anne Castles, met wie Eva Marinus al eerder heeft samengewerkt, is een absolute autoriteit op het gebied van leesproblemen.
Hoewel het onderzoek naar dyslexie de afgelopen jaren een enorme vlucht heeft genomen, is er nog veel onbekend. ‘Een belangrijke oorzaak hiervan is dat het een relatief jong onderzoeksonderwerp is', vertelt Marinus, die in januari 2010 cum laude promoveerde op haar proefschrift Word recognition processes in normal and dyslexic readers. ‘Immers, lezen was tot zo'n honderd jaar gelden voorbehouden aan de elite. In zeer korte tijd is de maatschappij zodanig omgevormd dat lezen voor alle lagen van de bevolking essentieel werd om zichzelf staande te houden. Toen kwamen we erachter dat zo'n 10 procent aanzienlijke moeite heeft met lezen.'
De verschillen tussen zwakke en goede lezers zijn in het begin nog niet zo groot, maar al snel lopen ze als een waaier uit elkaar. Goede lezers leren steeds beter en sneller lezen, doen meer leeservaring op en worden daardoor nog beter. Zwakke lezers daarentegen, blijven moeite houden met (snel) lezen, doen dus weinig leeservaring op en blijven vervolgens "hangen". ‘Maar wat er nu precies fout gaat, welke processen daaraan ten grondslag liggen, is nog niet duidelijk.'
Ontrafelen van het dyslexieraadsel
In haar Rubicon-onderzoek probeert Marinus in elk geval een deel van het dyslexieraadsel te ontrafelen. Ze onderzoekt de interactie tussen orthografische representaties (de herkenning en opslag van woorden) en twee aspecten van lexicale herstructurering, namelijk het vermogen om op elkaar lijkende woorden van elkaar te onderscheiden en het herkennen en toepassen van lettergrepen in bekende en nieuwe woorden. Zo onderzoekt ze of zwakkere lezers meer moeite hebben met nieuwe woorden die "buren" zijn van een ander woord. Het zou dus kunnen zijn dat zwakkere lezers die het woord "cat" al kennen, meer moeite hebben om een orthografische representatie te maken van het woord "cap". Bovendien bekijkt ze in een longitudinale studie of de aanwezigheid van een hoogfrequent buurwoord een negatief of een positief effect heeft op het leren van het woord waar het om gaat. Daarnaast onderzoekt ze of de aanwezigheid van lettergrepen in bekende woorden invloed heeft op het aanleren van woorden die dezelfde lettergrepen bevatten. Marinus verwacht dat zwakkere lezers minder profiteren van de aanwezigheid van bekende lettergrepen in nieuw aan te leren woorden. Ten slotte wil Marinus haar theorie over het aanleren van lettergrepen graag testen door middel van een lettergreeptraining.
Geen wondermiddel
Het succes van leesmethoden voor dyslectici is totnogtoe vrij pover gebleken. ‘We weten vooral dat heel veel extra oefenen met lezen helpt. Onderzoek naar meer specifieke methoden heeft nog weinig opgeleverd.'
In haar promotieonderzoek ging Marinus dieper in op de veelgebruikte letterclustermethode. Bij deze methode worden kinderen aangemoedigd om woorden niet letter voor letter te verklanken, maar om gebruik te maken van letterclusters: bijvoorbeeld ‘st' in het woord ‘stok'. Ze ontdekte dat kinderen, of ze nu dyslectisch zijn of niet, van nature geen gebruikmaken van letterclusters. Leren ze de clusters expliciet aan, dan nog leidt dat niet tot sneller lezen. Het blijft dus zoeken naar de ideale methode. Volgens Marinus wordt het nog een aardige opgave om deze te vinden. ‘Dyslexie is verankerd in de hersenen, en is daar al heel vroeg aanwezig. Ik verwacht ook niet dat op korte termijn een wondermiddel wordt gevonden. Voor nu is het vooral van belang dat we eerst achterhalen waar het precies fout gaat. Daarop kunnen we dan specifieke methoden ontwikkelen. Een van die manieren zou de lettergreepmethode kunnen zijn; vandaar dat ik deze methode ga onderzoeken en testen in mijn onderzoek. Ik verwacht niet dat het dé volledige oplossing wordt, maar wellicht kunnen we wel een kleine verbetering de leesvaardigheid teweegbrengen.'
Auteur: Esther van Bochove, afdeling Communicatie FMG


